Liever laatste binnenbocht of buitenbocht op de 500 meter? Femke Kok en Michel Mulder leggen uit
In dit artikel:
Bij de 500 meter op Milaan-Cortina 2026 draait veel om de loting: krijgt een schaatser in de beslissende rit de binnenbocht of juist de buitenbocht in de laatste bocht? Topfavoriet Femke Kok en sprintolympiër Michel Mulder leggen uit dat beide opties voor- en nadelen hebben en dat de keuze invloed kan hebben op medaillekansen.
De binnenbocht in de slotfase kan aantrekkelijk zijn omdat je een kortere lijn kunt rijden en daarmee fracties wint, vooral op een technisch goede ijsvloer. Aan de andere kant geeft de buitenbocht soms meer ruimte om tempo te houden en overzicht te bewaren, en biedt het de mogelijkheid om uit de bocht meer snelheid mee te nemen richting finish. Wie in de laatste rit staat heeft bovendien het voordeel dat hij of zij weet welke tijden gehaald moeten worden, wat tactisch van pas kan komen.
Grootte en lichaamsbouw spelen ook een rol: langere schaatsers kunnen anders omgaan met de kromming en het aansnijden van bochten dan kleinere rijders, waardoor eenzelfde loting voor de één gunstiger is dan voor de ander. Kok zegt dat ze de 500 meter bij voorkeur twee keer rijdt — een manier om fouten te spreiden en consistentie te belonen — en Mulder put uit zijn ervaring als olympisch kampioen om de nuances van bochtkeuze te benadrukken.
Kortom: er is geen eenduidig antwoord; binnen- of buitenbocht kan in Milaan het verschil maken afhankelijk van baancondities, lichaamsbouw en de raceopzet.